Reproductie

Verminderen van de reproductiesnelheid: Ja, maar hoe?

Een toenemend aantal mensen over de wereld maakt zich zorgen over het snel groeiende aantal mensen op aarde, dit in het licht van de eindigheid van de grondstoffen die we voor die groei en het in stand houden van de toekomstige aantallen nodig hebben. Aan de andere kant, je kunt ook meer hoopvolle geluiden horen: het aantal zou zich omstreeks 2050 stabiliseren rond de 9 of 10 miljard en vervolgens in 2100 rond de 11 miljard. En, nog hoopvoller: de reproductiesnelheid neemt de laatste paar decennia in de meeste landen af, en duikt zelfs in vele landen tot soms ver onder de vervangingswaarde. Dan neemt de bevolkingsomvang dus af. Dit wijzen modellen en getallen van de Verenigde Naties uit. Even terzijde: je moet dan natuurlijk wel weten dat dit een soort gemiddelde uitkomst is, waarbij er ook schattingen bestaan over de meest gunstige en de meest ongunstige ontwikkelingen. De breedte van het variatiegebied tussen deze schattingen geeft de mate onzekerheid ervan aan, en die is niet gering. Bovendien, de modellen gaan er ook vanuit dat de huidige tendensen ongewijzigd blijven, waar je, gezien dezelfde schattingen die er in het verleden zijn gemaakt, ernstig aan kunt twijfelen.

Maar stel dat ons mondiale aantal zich zou stabiliseren rond een bepaald niveau, wat betekent dat dan, weer gezien in het licht van de eindigheid van de benodigde grondstoffen. Hoe lang kun je dan op dat niveau blijven? En, sterker nog, hoe lang zou je er op willen blijven zitten? En onder welke levensomstandigheden zou dat dan moeten? Dezelfde of zelfs betere omstandigheden dan de huidige? Of slechtere? Verder: Kan recycling voor de volle 100% toegepast worden, of kan er slechts een lager percentage van de oorspronkelijke grondstoffen op die manier teruggewonnen worden? En ook, hoeveel vertraagt een beperkte recycling dan het totale verbruik? Welke terugwin-percentages gelden voor verschillende typen van grondstoffen, met name die welke er essentieel zijn geworden voor onszelf en voor de organisatie van de maatschappij, zoals kalium en fosfor, en bepaalde zeldzame metalen, respectievelijk? Hoeveel tijd winnen we er mee van de tijd die we nog over hebben? Wanneer moeten we er uiterlijk krachtig mee beginnen? Hoe lang hebben we nog, met of zonder recycling? Wat gaan we doen met de gewonnen tijd? Andere, meer structurele en op lange termijn meer effectieve maatregelen nemen? Mochten de grondstoffen toch ontoereikend blijken, op welk niveau van aantallen mensen op aarde kunnen we dan doorgaan, en voor hoe lang? Wat zijn de vooruitzichten, bovenal de plannen? Het gaat hier tenslotte om het leven en welzijn van vele miljarden mensen!

Allemaal onontkoombare vragen, maar ook vragen die je praktisch nooit, of helemaal nooit, gesteld ziet, en zeker niet beantwoord. Deze vragen betreffen alleen de mogelijkheid van de stabilisering van onze aantallen. Maar als we de reproductie willen verminderen om de aantallen te laten afnemen, hoe moet dat dan? Weten we dat, en, belangrijker, kunnen we er wel invloed op uitoefenen zonder rigoureuze, niets ontziende maatregelen te nemen die tegelijkertijd ook onze huidige waarden en wijze van leven drastisch kunnen veranderen? Zodanig zelfs dat we ons kunnen afvragen of deze maatregelen het leven dan nog wel de moeite waard maken. Niet iedereen kan zich het stringente een-kind beleid in China voorstellen, terwijl er mogelijk nog stringentere maatregelen zullen moeten worden genomen, afhankelijk van de snelheid van bevolkingsafname die nodig blijkt.

Velen suggereren dat met het geven van educatie aan vrouwen de maatschappij op deze manier beïnvloed kan worden. Tenslotte bestaat er een relatie tussen dit educatieniveau en de vermeerderingssnelheid van de bevolking van een land. Maar bepaalt deze educatie nu de maatschappij dusdanig dat de reproductiesnelheid per vrouw omlaag gaat, of is, omgekeerd, in de betreffende landen de maatschappij veranderd en wel zo dat zowel meer vrouwen onderwijs volgen alsook hun reproductiesnelheid omlaag gaat? Iedereen weet, bijvoorbeeld, dat het prijsniveau in de Westerse landen zo hoog is geworden dat vrouwen de eerste jaren wel mee moeten werken bij het vormen van een gezin, het zorgen voor goede huisvesting, en dergelijke. Bovendien is later het onderhoud, de opvoeding en het onderwijs van kinderen kostbaar, waardoor men zich maar een beperkt aantal kinderen kan veroorloven. Vroeger, ook, bestonden er verschillende vormen van sociale druk om veel kinderen te krijgen die nu zijn weggevallen. Daarnaast gaat het natuurlijk niet alleen om de educatie van vrouwen, maar moeten ook mannen vaak drastisch veranderen en het andere gedrag van vrouwen accepteren, wat lang niet altijd gemakkelijk is. Zelfs niet in het in dit opzicht vooruitstrevende Nederland. En zelfs dan: hoeveel moeten we ons gezamenlijke gedrag veranderen, en ook hoe om tot een gewenste of noodzakelijke vermindering van onze aantallen te komen? Is educatie van zowel vrouwen als mannen wel genoeg? Wat is er nodig en hoe snel denken we dat doel te bereiken? Naast deze mogelijkheid om de snelheid van reproduceren te verminderen zijn er nog meer bedacht, maar geen ervan is algemeen aanvaard. Een ervan is de meer intensieve communicatie van mannen en vrouwen door radio, TV, of mobiele telefonie.

Alles bij elkaar blijven we met de vraag zitten hoe onze toekomst er uit zal zien, zowel wanneer de aantallen zich inderdaad zullen stabiliseren, of wanneer en hoe ze zullen gaan of moeten afnemen.

Weiland

Alleen voedselproblemen?

FULL PLANET, EMPTY PLATES, The New Geopolitcs of Food Scarcity (Norton, 2012) is Lester Brown’s laatste boek, opnieuw over het aloude probleem hoe het stijgend aantal mensen op de wereld te kunnen blijven voeden. Ik wil hier niet ingaan op de vier punten die volgens hem aandacht vergen om de rijzende problemen te kunnen oplossen, het stabiliseren van de wereldpopulatie, het terugdringen van de armoede, het terugdringen van de vleesconsumptie, en het terugdraaien van de politiek ter ondersteuning van het gebruik van biofuels. Het lijken me deelproblemen te zijn van een alles overkoepelend probleem, het overgebruik van grondstoffen vanwege een steeds verder toenemend aantal mensen op aarde. Dit toenemende aantal mensen veroorzaakt in feite al het andere; zonder hier wat aan te doen, is al het andere vergeefse moeite. Natuurlijk moeten we matigen met gebruik van grondstoffen, voedsel, water, energie, metalen, en moeten we afval- en gifstoffen zo min mogelijk in het milieu vrijlaten, en moeten we ook zoveel mogelijk afval recyclen om grondstofgebruik te verminderen en het milieu niet te veel te verontreinigen. Maar we moeten tegelijkertijd zien dat het bestrijden van effecten niet alleen ineffectief is, maar in feite niet kan: je kunt effecten alleen afzwakken. Wat je wel kunt bestrijden is hun oorzaak, het stijgend aantal mensen op aarde.

Om al deze mensen persoonlijk te voeden en gezond te houden, te kleden en onderdak te geven, heb je een grote, en zeer complexe, mondiale organisatie nodig, en zo’n organisatie kost ook energie en materialen. Deze kosten zijn zelfs orden groter dan die van het aantal mensen, terwijl de snelheid waarmee deze kosten groeien ook weer groter is dan die van de mensen zelf. In Wildgroei heb ik aangegeven waardoor deze snelheid groter moet zijn: de organisatie van onze maatschappij bestaat uiteindelijk uit een zeer groot aantal interacties tussen mensen, tussen lagen van interacties en tussen lokale groeperingen van interacties. Dat is wat organiseren inhoudt. Hierbij gaat het niet alleen om het gecoördineerd produceren van voedsel, het transport ervan, maar ook om de bouw en het onderhoud van het wegensysteem, de verkeersveiligheid, de handel, het financiële systeem, de industrie om dit mogelijk te maken, het onderwijs om de industrie en ook de wegenbouw of het rechtssysteem te vormen, wat niet al. En het gaat om de mensen een gezond en veilig leven te geven. De mens leeft niet van brood alleen, waarbij de huidige productie van brood zelf al zoveel energie en materialen kost. Alleen hiervoor hebben we de ook weer groeiende industrie nodig, alsook een stelsel van op zich niet-productieve handelingen.

Al deze niet-productieve handelingen vormen de “services”, samen ook wel de service industrie genoemd. Doordat de services allemaal op interacties tussen mensen berusten, neemt de omvang van de service industrie exponentieel toe ten opzichte van het op zich al exponentieel stijgend aantal mensen, en wel met een exponent die veel groter is dan die van onze aantallen zelf. We krijgen dan een stijging van het energie- en materialenverbruik dat dubbel-exponentieel blijkt te zijn: de exponent van de service industrie is niet constant ten opzichte van de exponent van de populatiegroei, maar groeit, groeit ook niet met een constante, maar groeit zelf exponentieel. Een exponent op een exponent. Afhankelijk van het proces dat gaande is, kan het mogelijk nog ingewikkelder zijn, drie- of viervoudig exponentieel, bijvoorbeeld. Tenslotte, tussen onze aantallen en de organisatie zit nog de laag van de industriële productie die op zich ook exponentieel groeit. Alle tezamen vormen deze processen een werktuig om onze persoonlijke voeding, gezondheid, kleding, behuizing, en beveiliging op mondiaal niveau veilig te stellen.

Er wordt wel gesteld dat de toename van de landbouwopbrengsten de bevolkingsgroei de laatste decennia, of zelfs eeuwen, heeft kunnen bijhouden en dat met een verdere intensivering en verbetering van technieken onze groei nog wel een tijdje door kan gaan. Malthus had het fout. Maar dan vergeet men de groei in de industriële productie en maatschappelijke organisatie die hier direct en noodzakelijk aan verbonden zit en waar nu juist het grootste en de snelst groeiende verbruik van grondstoffen in zit. Juist hierdoor loopt de verdere groei van onze aantallen totaal uit de hand. We moeten het hele plaatje bekijken, niet een klein, feitelijk irrelevant stukje ervan.